landgoed-header-9
landgoed-header-4
landgoed-header-8
infocentrum-header-7-1

Klik hier
voor al onze
evenementen

Partners

  • Landgoedpartners

    Kijk bij onze Landgoedpartners voor meer informatie over wat er allemaal te vinden is op het landgoed.

    Lees meer >>
Historie

Historie

Nienoord, borg vol verhalen
In 1525 koopt jonker Wigbold van Ewsum land bij Midwolde in de provincie Groningen. Hij bouwt er een nieuw huis op, de Nije Oord. Van het land laat hij turf steken. Turf is in die tijd een belangrijke brandstof en zo kan het gebeuren dat het huis Nienoord uitgroeit tot het grootste landhuis van Noord-Nederland.

In 1665 trouwt de laatste afstammelinge van Wigbold, Anna van Ewsum met de Duitse edelman Georg Wilhelm von Inn- und Knyphausen. De rijkdom van Nienoord groeit. Ten teken van deze rijkdom worden niet alleen de tuin en de borg (landhuizen van Groninger adel worden borgen genoemd) rijk versierd, maar ook de kerk in Midwolde. Het is de gouden eeuw voor Nienoord. Het landgoed breidt zich steeds verder uit en zo kan de graaf van Nienoord zelfs over eigen land van Leek naar Coevorden rijden!

Daarna raakt het landgoed in verval. In 1846 brandt de borg zelfs helemaal af. De laatste Von Inn- und Knyphausen verhuist naar Groningen. Zijn neef, jonkheer van Panhuys laat na 1887 een hele nieuwe borg bouwen. Maar twintig jaar later komt de hele familie om het leven. De koets, waarin ze zitten, raakt te water in het Hoendiep en de laatste bewoners van de borg verdrinken.

Gelukkig is niet alles verloren gegaan in de loop der tijd. Er is nog wel wat bewaard gebleven uit de zeventiende eeuw, zoals bijzondere paneelschilderingen en een schelpengrot.
De schilderingen waren meer dan anderhalve eeuw in de vergetelheid geraakt. Ze hebben zelfs een tijd gediend als een wandje in het koetshuis. Na een jarenlange restauratie zijn ze weer in Nienoord terug. Ooit hebben ze de danszaal verfraaid. De schilderingen, van 3 meter hoog en tezamen 18 meter lang, zijn gemaakt door de Friese schilder Herman Collenius. In 1685 schildert hij op Nienoord vele wanddecoraties. In de danszaal schildert hij drie legenden uit de Oudheid, uit het boek Metamorfosen van Ovidius, waarin Diana voorkomt, godin van de jacht. Alle scènes hebben betrekking op seksuele intimiteiten tussen goden en stervelingen. De stervelingen, zelfs al zijn ze onschuldig, worden gestraft en het loopt steeds slecht met hen af!

Ook de schelpengrot in de tuin heeft een eigen verhaal. Een droeve legende over een nieuwsgierig dienstmeisje vertelt over het ontstaan ervan.

De schatkamer van de Nienoord  
Dichtbij de borg staat de schelpengrot. Dit is de oude schatkamer van de borg. Daar stonden kisten vol goud en zilver, vol sieraden en juwelen.
Op het kasteel werkte eens een meisje uit het dorp. Ze zou zo graag eens stiekem in de schatkamer gaan kijken. Toen op zekere dag de kasteelheer en zijn vrouw op reis waren, riep het kindermeisje de jonge freule, op wie zij moest passen, bij zich. Ze wist haar te overreden de sleutel uit de kamer van haar vader te halen en mee naar de schatkamer te gaan, waar het dienstmeisje niet uitgekeken raakte. Ze danste in het rond tussen al die schatten en juwelen en ze droeg het ene sieraad na het andere. Maar de jonge freule had er al gauw genoeg van. Ze liep weg, maar deed voor alle zekerheid de deur van de schatkamer op slot. Toen ze weer aan het spelen was, vergat ze het kindermeisje helemaal.
Bij thuiskomst van haar ouders moest ze natuurlijk het geheim wel verklappen. Kwaad liep de kasteelheer naar de schatkamer, waar hij het kindermeisje huilend aantrof. Uit straf voor haar pronkzucht moest ze in de schatkamer gevangenzitten totdat de muren bedekt waren met schelpen. Er kwamen kisten met schelpen op de plaats van de kisten met juwelen en door een luik kreeg het meisje eten en kaarsen. Tientallen jaren werkte het meisje hier aan de schelpenmuren, en eindelijk had zij het werk klaar. Toen mocht ze eruit. Zij liep blij weer in de buitenlucht, vrij! Meteen ging zij naar het meer in het dorp, maar in het heldere water schrok zij hevig van haar gezicht, dat na al die jaren mager en oud geworden was. Het meisje zakte in elkaar en is nooit meer opgestaan.
Nog altijd bestaat die schatkamer bij de Nienoord, waar alle muren vol schelpen zitten.

Pas in 1958 krijgt de borg zijn huidige bestemming: Het Nationaal Rijtuigmuseum is er sindsdien gevestigd. Het museum geeft een overzicht van de geschiedenis van het reizen met rijtuigen in Nederland en laat ook de geschiedenis van de borg Nienoord zien.

Kerk Midwolde
Kerk uit de 12e eeuw.
De kerk heeft een zadeldaktoren met muren van 1.50 meter dik. De museumkerk bevat kunstwerken van hoge waarde. Het meest opvallend is de graftombe, gemaakt door de beroemde beeldhouwer Rombout Verhulst. Aan de muren van de kerk hangen zeer fraaie rouwborden van de bewoners van Nienoord. De preekstoel (1711) is versierd met veel houtsnijwerk en staat niet op de grond, maar wordt gedragen door engelen.

De bewoners van Nienoord hadden in de kerk hun eigen herenbank, waar zij hoger waren gezeten dan de predikant.
Een gebrandschilderd raam herinnert aan de tragische verdrinkingsdood van de laatste adellijke bewoners van de borg Nienoord, de familie Van Panhuys in 1907.

Kerk en toren zijn in 1986 fraai gerestaureerd en behoren thans aan de Stichting Oude Groninger Kerken. Het kleine orgel stamt in oorsprong uit 1630.

Wat is een borg?
Er zijn veel woorden beschikbaar om de oudste versterkte huizen van ons land te benoemen: kasteel, burcht, stins, slot, borg, havezate of gewoon huis. Maar in het Groningse woord borg wordt de betekenis toch het mooist weergegeven. Een borg is van oorsprong een plaats om je geborgen te voelen. Tot de dertiende eeuw waren, bij gebrek aan natuursteen, vrijwel alle huizen en gebouwen van ons land opgetrokken uit hout. De brandende pijlen van belegeraars vormden de ernstigste bedreiging van mensen, die zich achter houten muren verschansten. Maar toen in de 13de eeuw de baksteen werd uitgevonden, kon men beginnen aan de bouw van sterke, onbrandbare, stenen huizen. De door monniken geknede bakstenen of kloostermoppen waren duur en daarom kwam de bouw van een steenhuis dan ook altijd voor rekening van een rijk grondbezitter.